verhaal
Praten is niet vanzelfsprekend
Vroeger hield ze toespraken; nu leert ze opnieuw praten.
Het duurde weken voordat ik spraakles kreeg. Er was steeds geen plaats. De logopedisten lagen volgens zeggen niet voor het opscheppen en … de ene logo is de andere niet. Ongeveer zes weken na de klap was er dan eindelijk iemand beschikbaar, niet dat ik in die tussentijd niets gedaan had, integendeel. Dagelijks was ik bezig met eenvoudige woordjes te leren en te schrijven, maar spreken bleef moeilijk en de uitspraak van bepaalde klanken lukte maar niet. Soms ging het even, soms kwam het stotterend, soms nam ik het verkeerde stukje van het woord, dan weer gooide ik de lettergrepen door elkaar. De ene keer wilde de eerste letter niet over mijn lippen komen, de andere keer bleven de laatste letters weg, terwijl het hele woord wel in mijn hoofd zat. Vaak ook herhaalde ik een lettergreep, zomaar, bijvoorbeeld ‘herhaaldehaalde’ of ‘gegrepenenen’ in plaats van begrepen.
(...)
Voordat de logopediste eraan te pas kwam, had ik zelf mijn probleem al geanalyseerd. Nou ja, zo simpel was het nou ook weer niet, er bleef meer dan genoeg te leren over. ‘Logo’ was uiterst welkom! In het begin kwam ze aan huis. In die tijd was ik nog niet in staat te reizen en een auto hadden we niet. Ik durfde niet met de bus, toen nog niet. Ik was bang voor alles, voor mensen, voor gesprekken voor het gehobbel van de bus, bang dat ik mijn hoofd zou stoten, bang dat ik de weg terug niet zou vinden, bang dat iemand iets aan me zou vragen waarop ik niet antwoorden kon, bang dat ik in een overvolle bus geen zitplaats zou kunnen vinden, bang dat dat schudden niet bevorderlijk was voor het herstel van mijn kwetsbare aderen in mijn hoofd, bang voor het lawaai in de bus en de langsschietende beelden. Ja, waar was ik eigenlijk niet bang voor?
(…)
‘Logo’ kwam dus twee keer per week thuis. De kennismaking verliep gladjes. Ze was aardig en jong. Veel ervaring kon ze niet hebben, maar ze bracht het er goed van af. Direct in het begin al boezemde ze me vertrouwen in. Het eerste wat ze zei was — en dat was natuurlijk om me te testen — ‘Kunt u me vertellen wat er gebeurd is?’ Nou, dat wilde ik wel, maar of ik het kon? Met horten en stoten kwam het ‘hoge woord’ eruit, een mini-verhaal, verkeerde woorden, handgebaren, maar toch een verhaal. Ik was in staat te communiceren wat ik wilde. Maar wat ik echt wilde, dat laat zich raden. Gewoon praten natuurlijk, zoals iedereen zonder beperkingen. Zoals vroeger. Hoe lang was het helemaal geleden dat ik mijn laatste toespraak had gehouden, nog geen twee maanden, het leek wel een eeuwigheid.
Na die eerst lessen begon de twijfel te knagen. Ik begreep dat het niet zo vanzelfsprekend meer was dat ik ooit weer zou kunnen spreken in het openbaar, in ieder geval niet zoals ik voorheen gewend was geweest en lesgeven aan groepen, nou, nou. De moed zonk me al bij voorbaat in de schoenen.
Uit: "De Kluk" van Nanny Kannegieter. Novapres 2002.

Voeg een reactie toe