Het verhaal van een jonge vierentachtiger

Truus Menger

Sommigen kennen haar uit de geschiedenisboeken, anderen hebben geen idee: Truus Menger. Op zeventienjarige leeftijd in de Tweede Wereldoorlog als verzetsstrijder gestreden, nu een succesvol carrièrevrouw van vierentachtig.
Meet Truus Menger, een bijzonder - mooi - geval!

‘Kom binnen, kind! Hoe gaat het nu met je?’
Mijn oud-buurvrouw, een klein schattig vrouwtje met witte haren en een bril, opent hartelijk de voordeur. Ze vraagt naar thuis, hoe het met mijn vader gaat en met die kleine. ‘Goed’, antwoord ik. Ze ratelt door over het schandelijke feit dat ze binnenkort haar huis moet verlaten, omdat de gemeente het winkelcentrum uit zal gaan breiden en de straat dus plat gaat. 'Belachelijk. Is toch geen democratie!'
Als ik mijn hoofd naar links draai, kijk ik recht in haar atelier. Truus Menger (1923) is kunstenares.

‘Wil je iets drinken? Thee?’ Lekker! Buiten valt er aan graden Celsius niets te tellen. Truus begint haar verhaal met het vertellen over haar lidmaatschap bij de ANBO (Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen). Ouderen moeten strijdbaar blijven, vindt zij. ‘Emancipatie van ouderen is belangrijk. Als ouderen in Nederland geen inspraak zouden hebben, dan nam ik mijn inspraak wel!’ Toch vindt ze wel dat de ouderenzorg in Nederland beter kan. Zo is Truus van mening dat ouderen de kans zouden moeten krijgen om door te blijven werken, zolang zij in staat zijn dat nog te kunnen. ‘Ouderen worden te snel in bejaardenhuizen gestopt,’ zegt ze. ‘Als je tussen allemaal demente ouderen zit, zorgt dat voor weinig expansie van de hersenen. Ik vind het leuk om vooral met jonge mensen over de wereld te spreken. Eén keer per week komt een Duits meisje — jouw leeftijd ongeveer — me helpen met huishoudelijke klusjes. Wat een geweldig kind is dat! We lachen wat af. Nee hoor, ik ben niet achter de geraniums te rammen! Veel te bang dat de activiteit van mijn hersenen afneemt.'
De telefoon gaat. Truus neemt vrolijk op en praat met een vriendin, neem ik aan. Aan sociale contacten ontbreekt het haar in ieder geval niet. Ik observeer haar en kan me maar moeilijk voorstellen dat deze vrouw vierentachtig is.
‘Godverdomme! Oeps!’ Ik kijk Truus verbaasd aan en zie haar lachen. Ze biedt haar verontschuldigingen bij me aan voor haar taalgebruik en vertelt haar vriendin lachend over het verblufte gezicht van dat “beschaafd christelijke meisje” tegenover zich. ‘Ach, vloeken helpt,’ lacht ze.
Wanneer ze opgehangen heeft, herinnert ze zich ineens weer dat ze theewater had opgezet. Ze snelt naar de keuken. Alweer verbaas ik me over het feit dat Truus al oud, maar nog zo vreselijk jong in haar doen en laten is. Ze komt terug met twee kopjes thee en koekjes.
Ik vraag Truus wat zij verstaat onder goede zorg voor ouderen. 'Ouderen moeten mooi kunnen wonen op hun leeftijd. En zolang mogelijk zelfstandig, als je het mij vraagt. Per week zou er goede huishoudelijke hulp moeten zijn en wat bejaardentehuizen betreft, zouden er betaalde krachten — geen vrijwilligers, want die doen maar — aanwezig moeten zijn om de mensen goed te verzorgen. Hiermee bedoel ik dingen als op tijd onder de douche, het verzorgen van goed en gezond eten, ontspanning en meer activiteiten.’
De buurvrouw passeert het raam. ‘Juffie moet d’r haren kammen,’ mompelt Truus met een ondeugende grijns op haar fijn geplooid gezicht. We lachen.
Speciale tehuizen voor bejaarde allochtonen. Wat vindt ze daarvan?
‘Niet mee eens!’ protesteert ze. ‘Als men hier komt wonen, moeten ze integreren. Ze moeten de taal leren en zich niet onderscheiden van Nederlanders. Met die apartheid worden getto’s geschept. Ik wil ook zwarte vrienden kunnen hebben!’
Volgens Truus moeten allochtone ouderen zich realiseren dat ze altijd buiten de Nederlandse maatschappij zullen vallen, als ze zich op zo’n manier afzonderen van autochtone ouderen. ‘Ik kan ze echter geen ongelijk geven. Allochtonen zijn gezelliger! Een allegaartje aan kerken, dat zijn Nederlanders. Een stelletje oude trutten.’ Ik schiet in de lach. Wat een bijzonder mens, die Truus.
‘Ja,’ vervolgt ze, ‘er wordt altijd geklaagd over “de jeugd van tegenwoordig”, maar de jeugd is nooit anders geweest. Er zijn zoveel aardige mensen, maar dat kleine groepje ellendelingen haalt altijd het nieuws. Maar zelfs daar kan ik me maar nauwelijks aan storen, hoor. Het zijn de omstandigheden die een mens maken.’
We naderen de levenslijn van Truus en ik merk al snel dat ik een gevoelige snaar raak wanneer ik haar vraag wat voor haar de meest ingrijpende gebeurtenis in haar verleden is geweest. Ik had verwacht dat ze over haar tijd in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog zou beginnen, maar ze vertelde hoofdschuddend over het feit dat ze haar kleinkinderen niet meer zag. ‘Onbegrijpelijk, zonder pardon door hun vader meegenomen naar het buitenland. Ik mag ze niet meer zien. Ze waren zelfs niet op de begrafenis van mijn man, de liefste opa die ik kende. Heb je altijd alles voor ze gedaan, weet je wel…’ Ik kon duidelijk zien en merken dat het diep zat bij haar. Met een vluchtige blik op Truus’ levenslijn probeerde ik een wat luchtiger onderwerp aan te kaarten. Ik begon over haar kunstenaarsschap, zoals ze dat zelf noemt, en zag dat ze helemaal opleefde. Goede zet. ‘Ik schilder, schrijf gedichten, verhalen en theater en ik ben beeldhoudster. Er is onlangs nog een beeld van mij onthult in Lutjebroek. En ja, die op het plein bij het winkelcentrum heb ook gemaakt. Ik mag het eigenlijk niet zo zeggen… Ik ga het wel zeggen: mijn carrière is altijd erg succesvol geweest!’ Een ander lichtpunt in het leven van Truus was haar goede huwelijk. ‘Ik ben achtenveertig jaar lang prachtig gelukkig gehuwd geweest. Dat was met een verzetskameraad. We gingen vaak kamperen, wat vrij luxe was voor die tijd. God, wat een gelukkige tijd. We hebben samen 4 kinderen en 9 kleinkinderen gehad. Drie van die kleinkinderen zijn gehandicapt, maar het houden van is hetzelfde. Ik heb zelfs de indruk dat mijn band met die kinderen nog warmer is.’
Ik vraag door over het verzet en Truus’ jaren in de Tweede Wereldoorlog. ‘Ja, ik heb geschoten. Maar daar praat ik liever niet over. Ik heb het liever over de Joodse kinderen die ik in veiligheid heb gebracht. Nu waren het dan Joden, maar als het anderen waren geweest had ik hetzelfde gedaan. Kinderen mogen nooit in gevaar zijn; ze zijn de voortzetting van het leven. Ik heb een kinderhuis gesticht in Zuid-Afrika.’ Truus dwaalt af. Ik kom terug op het onderwerp.
‘Ach, de oorlog. Iedereen wilt vrede, maar zolang er wapens gemaakt worden, komt die er niet.’
Ik vraag haar naar Hannie Schaft, het meisje met het rode haar. ‘In het verzet heb ik nooit een gevoel van warmte gehad,’ vertelt Truus. ‘Vallen en gelijk weer opstaan, dat werd er van je verwacht. Na Hannie’s dood heb ik me vreselijk verslagen gevoeld, maar er was geen tijd. We moesten door.
Ik heb er echter geen mensenhaat aan overgehouden. Het is de oorlog die onmenselijk is. Nee, het was niet altijd even eerlijk, maar dat is het leven.’
Truus vervolgt haar verhaal met haar moeder die zo vreselijk positief was, als het op de oorlog aankwam. ‘Natuurlijk was ze bezorgd. Ik was zeventien, mijn zusje nog jonger. Maar ze zei altijd: ‘Na de oorlog wil ik in jullie ogen kunnen kijken en weten dat jullie goed hebben gedaan.’ Dat was mooi. Jammer dat ze zo jong is overleden.’
De verhuizing die haar te wachten staat, heeft ook een zekere impact op Truus. ‘Belachelijk dat ze de straat platgooien. De huizen zijn nog hartstikke nieuw, en goed. Dit huis is nog geen acht jaar oud!’ oppert ze verontwaardigd. ‘Ik zal de straat missen. Maar ach, ik zal mijn best doen om anderen te leren kennen.’
Truus’ privé-leven staat niet stil. Ze heeft een heel scala aan netwerken en ontmoet nog altijd nieuwe mensen. ‘Het geeft een warm gevoel en een gevoel van solidariteit als je veel vrienden om je heen hebt. Daarbij heb ik een fijne familie, die regelmatig langskomt. Ik heb een mooi leven nu.’
Nu. Maar hoe kijkt Truus’ aan tegen de toekomst?
‘Laten we voorop stellen dat ik natuurlijk nog maar weinig toekomst heb,’ zegt ze met een eerlijke glimlach. ‘Ik heb een heel interessant en indrukwekkend leven achter de rug. Met veel ups & downs, jawel. Voor wat mij nog rest, wil ik mijn tijd zinvol besteden. Ik droomde laatst dat ik nieuw werk had gepubliceerd. Die droom wil ik verwezenlijken. En ook wil ik tentoonstellingen blijven geven.’
Truus kijkt op haar horloge en merkt op dat we al een uur aan het praten zijn. ‘Ik moet nog wat dingetjes kopen, hoor. Voor het nieuwe huis.’
Ik begrijp de hint en zeg dat ik zo ook wel genoeg heb. We lopen naar de hal en trekken onze jassen aan. Truus vertelt me nog dat ze eigenlijk best zin heeft in het inrichten van haar nieuwe huis. Bij de deur zegt ze me dat ik altijd langs kan komen om te praten. Ik bedank haar voor haar tijd en moet haar beloven dat ik haar laat weten hoe het is afgelopen met het interview. Ik beloof het.

2 reacties
  • Antoine Bomon

    7 jaren, 10 maanden geleden.

    Uitgeverij Bola Editions is geïnteresseerd in dit verhaal
    Uitgeverij Bola Editions is bereid dit verhaal op te nemen in een nieuwe verhalenbundel. Mogen wij de auteur vragen contact met ons op te nemen. Dit kan via: info@bola-editions.be of tel. (GSM)0498 250 509. Meer info over onze uitgeverij vindt u op www.bola.editions.be Met vriendelijke groeten Antoine Bomon Bestuurder/Afgevaardigde Bola Editions

  • julia

    6 jaren, 11 maanden geleden.

    Jarig
    Lieve Truus, vandaag ben je jarig en daarmee feliciteer ik je. Denk nog regelmatig terug aan de mooie tijd van het toneelstuk waarin ik jou mocht spelen en aan de feestjes bij je thuis. Als er nog eens over jou gezongen of gespeeld gaat worden wil ik dat gaag doen. Schrijf je nog andere boeken? Ik wens je het allerbeste en kom graag nog eens bij je aan. Liefs, ook van Evelien, Julia p.s. Mooi dat intervieuw met Laura!

Laat een reactie achter